Michiel Pessemier

Dit is de woordenlijst over de tekst "Wat bepaalt het succes van allochtonen op de arbeidsmarkt?"

Menselijk kapitaal: de mate waarin iemand beschikt over kennis en kunde die relevant is voor het productieproces.
Persoonlijk kapitaal: productieve kennis en productieve vaardigheden.
Sociaal kapitaal: de meerwaarde van sociale netwerken die ontstaat doordat uit deze netwerken de neiging voortkomt om dingen voor elkaar te doen zonder directe tegenprestatie.
Cultureel kapitaal: het geheel aan waarden, normen en gebruiken.
Psychologisch kapitaal: een vorm van persoonlijk kapitaal, dat onder meer karaktereigenschappen, motivatie en doorzettingsvermogen omvat.
Diepte-interviews: uitvoerig, indringend interview
Dubbele arbeidsmarkttheorie: theorie die beweert dat de arbeidsmarkt uit 2 segmenten bestaat. Primaire segment met vaste banen en hoge lonen. Het secundaire segment bestaat uit tijdelijke, slechte betaalde lonen.
Gesloten arbeidsmarktsegmenten: niet voor iedereen toegankelijk deel van de arbeidsmarkt.
Reciprociteit: wederkerigheid.
Effectueren: ten uitvoer brengen.
Indirecte discriminatie: Bepaalde groepen onbedoeld buitensluiten wegens verschillen in normen en gebruiken.
Intermediaire factoren: tussenliggende factoren.
Conjunctuurgevoeligheid: snel reagerend op schommelingen in de conjunctuur. Conjunctuur zijn de tijdsomstandigheden die van invoeld zijn op vraag en aanbod.
Discrepanties: tegenstrijdigheid.
Convenanten: vrijwillig gesloten overeenkomt waarvan de nakoming niet kan worden afgedwongen.
Dichotome variabelen: half zichtbare variabelen.
Dummy-variabelen: een variabele die enkel 0 of 1 kan zijn.
Regressiemodel: model waarin sprake is van specifieke samenhang, aangeduid als regressie.
Dienstverband: het gebonden zijn doordat men bij iemand in dienst is of iemand in dienst heeft.
Debet: schuldig zijn aan iets
Cohortanalyse: analyse met een groep individuen met een gemeenschappelijk kenmerk.