Aurélie Vanhoutte

Op het internet zocht ik op wat er in de Belgische wet staat over het onderwijs.


In 1842 werd in het Belgische parlement een schoolwet gestemd, waarbij iedere gemeente verplicht werd een eigen lagere school te hebben.

Met deze schoolwet wilde de regering kosteloos onderricht invoeren als een recht voor alle (ook arme) ouders. Daarvoor was er in België op onderwijsgebied weinig geregeld. De Belgische grondwet voorzag immers een (totale) vrijheid van onderwijs, als reactie op de staatsinmengingen van het Nederlands bewind. Er bestonden voornamelijk scholen, gerund door katholieke kloosterorden, of verbonden aan een kapittel of parochie, naast privé-initiatieven waar de leerlingen per dag betaalden om les te mogen volgen. In vele gemeenten werden dus de bestaande onderwijs-initiatieven nu erkend als "aangenomen" gemeenteschool, zodat ze konden genieten van overheidssubsidie. In ruil werd een minimum aan kwaliteit gevraagd, zowel naar onderwijs als naar infrastructuur, en mocht men geen leerlingen weigeren.

Waar nog geen lagere school bestond, werd ze dan opgericht, zodat het aantal inplantingspunten van lagere scholen met ca. 35% toenam. Aangezien er rond die tijd ook een gemeentelijke "decentralisatie" kwam (grotere gemeenten werden opgesplitst in kleinere, of dorpskernen werden een afzonderlijke gemeente) werd dit effect nog versterkt. Dikwijls waren de nieuwe schooltjes qua architectuur dan het spiegelbeeld van het nieuwe gemeentehuis. Er werden toen ook nieuwe normaalscholen opgericht om de stijgende vraag naar onderwijzers te kunnen volgen. Heel wat van die schooltjes kenden in de aanvang slechts één of twee klassen, waar meerdere leeftijden bij elkaar zaten. Het systeem van graadsklassen vindt daar zijn oorsprong.

De ouders moesten wel zelf om gratis onderricht verzoeken. In vele gemeenten werden de ouders door aanplakbrieven verwittigd dat ze hun kinderen konden laten inschrijven om in aanmerking te komen voor het kosteloos onderwijs. Maar aangezien de meeste ouders zelf ongeletterd waren, duurde het nog vele jaren eer een veralgemeend schoolbezoek ingang vond. Bovendien was er geen leerplicht en was er te weinig controle op het absenteïsme, zodat nog een belangrijk deel van de bevolking ongeletterd bleef.

De wet voorzag dat de Rooms-katholieke Kerk in deze school mocht instaan voor het godsdienstonderricht en de controle daarop. Toen door een latere wet het godsdienstonderwijs in deze scholen geschrapt werd, ontstond een eerste schoolstrijd in België. De schoolstrijd in België is de strijd tussen het officieel onderwijs (onderwijs ingericht door de staat, provincies en gemeenten) en het katholiek onderwijs (door de Katholieke Kerk erkende scholen met doelstellingen in een christelijk opvoedings- en vormingsproject).

In artikel 24 van ‘Titel II: de Belgen en hun rechten’ van de Belgische Grondwet vinden we: ''Het onderwijs is vrij. De gemeenschap waarborgt de keuzevrijheid van de ouders. De gemeenschap richt neutraal onderwijs in. De neutraliteit houdt onder meer in, de eerbied voor de filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerlingen. Ieder heeft recht op onderwijs, met eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden. De toegang tot het onderwijs is kosteloos tot het einde van de leerplicht.'' (art. 24)